Defensie wil sneller innoveren en nauwer samenwerken met de industrie. Maar hoe organiseer je dat in de praktijk? Die vraag stond centraal tijdens de overlegvergadering van 4 maart. Daar praatte Franka Teunissen, plaatsvervangend directeur van de Programma directie Industrie en Innovatie, de CMC bij over de ontwikkelingen op het gebied van industrie en innovatie.
Haar verhaal bouwde voort op de eerdere toelichting van Maarten Smidts over de strategie Sterk, Slim, Samen eind augustus 2025. Waar Smidts toen vooral de strategische richting schetste, ging Teunissen in op de volgende stap: hoe voeren we de strategie daadwerkelijk uit?
Veiligheid van Nederland
Teunissen illustreerde dat met een terugblik op een recent overleg over investeringen in de defensie-industrie. “Toen mij werd gevraagd wat de risico’s zijn voor inflatie als we investeren in de defensie-industrie, realiseerde ik me: dit gaat niet alleen over Defensie. Dit gaat over de veiligheid van Nederland als geheel.” Wat haar vooral opviel, was het brede draagvlak rond die gedachte. “De teneur aan tafel was: defensie gaat voor. En als dat ook nog een positieve spin-off heeft voor economische groei, dan is dat alleen maar winst.”
In de strategie richt Defensie zich op vijf Nederlandse technologiegebieden (NLD-gebieden) en het maritieme domein. Nederland beschikt op verschillende terreinen over sterke kennisclusters en innovatieve bedrijven. De uitdaging is om die kennis beter te verbinden met de behoeften van Defensie. “We hebben eerst gekeken naar wat de industrie kan aanbieden: ‘de push’. Nu kijken we nadrukkelijk naar de andere kant: wat heeft Defensie nodig? Als je die twee bij elkaar brengt, kun je echt een voorsprong creëren.” Het uiteindelijke doel is dat Nederland op bepaalde terreinen niet alleen kennis ontwikkelt, maar ook daadwerkelijk producten en systemen kan leveren. Niet alleen voor de eigen krijgsmacht, maar ook voor onze bondgenoten.
Van idee naar productie
Een belangrijk knelpunt zit volgens Teunissen in de stap tussen innovatie en productie. Nederland kent als kennisland veel sterke kennisinstellingen en innovatieve bedrijven, maar veel ideeën komen nooit verder dan een prototype. “We zien veelbelovende innovaties ontstaan. Maar vaak stopt het daar. Start-ups krijgen niet altijd de kans om echt op te schalen. Juist daar moeten we als Defensie beter op aansluiten.” Daarom wil de directie dat er meer programmatisch gewerkt gaat worden. Innovatie, kennisontwikkeling, industrie en organisatie worden daarbij in samenhang bekeken. Niet alleen het idee telt, maar ook de vraag hoe iets uiteindelijk geproduceerd en ingezet kan worden.
Op dit moment gebeurt dat vanuit een tijdelijke werkorganisatie. Die moet uiteindelijk doorgroeien naar een volwaardige directie binnen Defensie. Dat is volgens Teunissen ook nodig, omdat de vraagstukken snel complexer worden. Zo bleek eerder bijvoorbeeld dat Defensie nog maar beperkt zicht had op welke bedrijven daadwerkelijk iets kunnen leveren op de verschillende technologiegebieden. Daarom werd de markt gevraagd om proposities in te dienen. “Daar kwamen er behoorlijk veel van binnen. En dat was meteen leerzaam. Want dan kom je ook de volgende vraag tegen: hoe beoordelen we die eigenlijk? En hoe bepalen we wat we écht nodig hebben, als je niet precies weet hoe de oorlog van overmorgen eruitziet?”, aldus Teunissen.
Een andere manier van inkopen
Om gerichter samen te werken met de industrie werkt Defensie steeds vaker met zogenaamde ‘challenges’. Daarbij wordt niet meteen een product uitgevraagd, maar een probleem voorgelegd aan de markt. Secretaris-Generaal Maarten Schurink benadrukte dat dit een duidelijke verandering betekent. “We lopen hiermee echt een ander proces dan we gewend zijn. Deze manier van aanbesteden is wezenlijk anders. Het wordt een alternatieve manier van verwerven. De kern van die aanpak is eenvoudig: Je definieert het effect dat je wilt bereiken, niet het product zelf. Daarnaast heeft dat ook een interessant neveneffect: bedrijven gaan vaker samenwerken. We zien bedrijven die zeggen: ik kan dit voor een deel voor jullie oplossen, maar daarvoor heb ik een ander bedrijf nodig.” “Dan ontstaan er dus ineens consortia”, vult Teunissen aan.
Naast de challenges kijkt Defensie ook naar zogenoemde ‘moonshots’: technologieën die nu nog in ontwikkeling zijn, maar over een aantal jaar cruciaal kunnen worden. Daarbij speelt een bekend probleem: de ‘valley of death’. Dat is de fase waarin een innovatie technisch werkt, maar nog niet rijp is voor productie of investeringen.
“Daar moeten we als Defensie bedrijven bij helpen. We moeten vertrouwen geven dat investeren in innovatie ook echt perspectief heeft.” Veel bedrijven vinden het volgens Teunissen bovendien moeilijk hun weg in het financiële landschap te vinden. “Als ik bedrijven spreek zeggen ze vaak: we hebben geen idee hoe dat financieringslandschap werkt. Daar moeten we als overheid hen echt beter in helpen.” Om die reden kijkt Defensie ook naar de bredere rol van de overheid in het versterken van het ecosysteem rond defensietechnologie. “Soms moet je iets nieuws organiseren. Bijvoorbeeld een ecosysteem waarin bedrijven, kennisinstellingen en overheid samen optrekken.”
Rol van de CMC
Tijdens het gesprek stelde de CMC een aantal vragen over opschaling. Volgens Franka gaat opschalen niet alleen over voldoende materieel op voorraad hebben, maar ook over het vermogen om kennis op te bouwen en productie snel te vergroten wanneer dat nodig is. Juist daar kan Nederland als kenniseconomie een belangrijke rol spelen.
Voor de CMC blijft het belangrijk dat deze ontwikkelingen niet alleen strategisch worden bedacht, maar ook goed landen in de praktijk van de organisatie. De CMC kijkt daarbij onder meer naar de randvoorwaarden voor samenwerking met industrie, de transparantie van keuzes en de uitvoerbaarheid binnen Defensie. Juist bij nieuwe manieren van verwerven en samenwerken met bedrijven vindt de CMC het belangrijk vroegtijdig betrokken te zijn, zodat vragen en aandachtspunten tijdig kunnen worden meegenomen.
