Maak kennis met CMC-lid Egbert Boot: “CMC? Oprecht een mooie club!”

Egbert Boot is afgevaardigde van de CLSK (Koninklijke Luchtmacht) binnen de CMC. Zo’n 20 jaar geleden startte Egbert met zijn carrière bij de Krijgsmacht. Na het afronden van zijn middelbare school lokte het avontuur en begon Egbert met de opleiding Maritiem Officier. Na 1 jaar stapte hij echter over naar de Landmacht. “Mijn keuze voor de Landmacht was aanvankelijk praktisch ingestoken door de combinatie van leren en werken. Een keuze waar ik 20 jaar en vele functies, rollen en rangen later, geen spijt van heb. Defensie heeft mij opgevoed en gevormd; ik ben verknocht aan het ‘bedrijf’.”

“Defensie heeft mij opgevoed en gevormd; ik ben verknocht aan het ‘bedrijf’.”

Egbert Boot

Egbert maakte een rondgang langs onder meer de landmacht en de luchtmobiele brigade. Ging op uitzending naar Irak en twee keer naar Afghanistan. In 2010 maakte hij de overstap naar het Mobile Air Operations Team (MAOT) binnen het Defensie Helikopter Commando (DHC) en werd in 2014 vervolgens onderofficier. Aansluitend maakte hij in 2016 de overstap naar instructeur aan de mbo-opleiding Veiligheid en Vakmanschap (VeVa) en de Algemene Militaire Opleiding (AMO). Na een aantal jaar instructie te hebben gegeven, is hij sinds 2021 weer werkzaam op het DHC. Allereerst binnen het domein safety & compliance en sinds een jaar vervult hij het voorzitterschap van de medezeggenschapscommissie (MC) DHC als huidige functie.

Medezeggenschap is niet nieuw voor Egbert. In een groot deel van zijn carrière is hij betrokken geweest bij werkgroepen en projecten. “Vanuit die eerdere ervaringen met ‘medezeggenschap’ kwam ik erachter dat het niet perse om rangen gaat, maar om het juiste idee aan de juiste tafel te bespreken. Dat is het voordeel van medezeggenschap: het besef en vervolgens de daadkracht dat met echt goede ideeën of aanvullingen iets moet en ook kan gebeuren.”

Gelaagdheid

“Het invloed uit kunnen oefenen op de organisatie vind ik heel waardevol”, vervolgt Egbert. “Niet dat dat zonder slag of stoot gaat. Medezeggenschap vergt veel voorbereiding. Je moet jezelf de ruimte gunnen om een gefundeerde mening te vormen om vervolgens het goede gesprek aan te kunnen gaan op de verschillende niveaus. Die gelaagdheid van medezeggenschap vind ik heel fijn. Verschillende rangen en entiteiten zitten bij elkaar. Dat maakt besluiten beter en de toekomstvisie van Defensie breder gedragen.”

Operationele gereedheid

Op de vraag welke uitdagingen de CMC echt het hoofd moet bieden de komende periode, antwoordt Egbert zonder enige twijfel als eerste de uitdaging op personeelsgebied. “Aan de ‘onderkant’ zit het probleem. Gezien de dreigingen in de wereld moeten we terug naar onze basis en dat is operationele gereedheid. De tweede uitdaging waar we oog voor moeten houden zijn de ‘muurtjes’. Deze zijn inherent aan een hiërarchische organisatie, maar leiden ook tot uitstroom van goede mensen. Die gelaagdheid en regeldruk zorgt ervoor dat planvorming niet tot volledige bloei kan komen. Dat frustreert.”

“Een persoonlijke uitdaging is een betere balans tussen mijn werk- en privé leven krijgen. Doordat ik zoveel om defensie geef en de mensen daarin, stop ik mijn hele ziel en zaligheid in deze functie. Ik streef ernaar om positieve veranderingen in processen en/of beleid teweeg te brengen voor mijn collega’s en de organisatie. Echter, door de verschillende (sub)culturen, het hiërarchische, regeldruk enz. is het soms ook een lastige klus. Je balanceert tussen de werkvloer en de organisatietop, wat simpelweg niet altijd makkelijk is. Maar wel heel gaaf!”

“Want in potentie is dit oprecht de mooiste functie waar je invulling aan kunt geven. Het takenpakket is breed en de dossiers zijn soms complex. Ik durf wel te beweren dat ik als CMC-lid in een paar jaar tijd net zoveel ga leren als in die 20 jaar ervoor. Al met al is de CMC een veilige, inhoudelijke en betrokken club waarin ik vooral veel positieve energie van mijn medezeggenschapswerk krijg. CMC? Oprecht een mooie club!”

Transitieprogramma Vastgoed uit de startblokken

Om te komen tot een toekomstbestendige en betaalbare Defensie-vastgoedportefeuille is een duurzame transitie noodzakelijk, hiertoe is in 2022 het programma ‘Concentreren, Verduurzamen en Vernieuwen’ (CVV) opgezet. Directeur Transformatieprogramma Vastgoed Defensiestaf, brigadegeneraal Ard Goedhart, praatte de CMC bij over de status van het CVV programma. Goedhart, die thuis ook volop aan het verbouwen is, ziet de parallellen tussen het programma en zijn eigen verbouwing; zij het uiteraard op zeer kleine schaal.

“Verbouwen vergt een zeer strakke planning en ordening”, begint Goedhart. “Zo ook bij een complex programma als het CVV dat de komende 15 jaar inzet op het doorvoeren van een efficiencyslag en het revitaliseren van bijna 400 Defensieobjecten in Nederland en het Caribisch gebied.” Het CVV programma is ontstaan omdat het huidige Defensievastgoed versnipperd, verouderd en niet duurzaam is. “Daar komt bij dat we tot nog toe jaarlijks ongeveer 150 miljoen extra aan het onderhoud van het huidige vastgoed en storingen moeten besteden. Door de onderhoudsachterstanden zullen die kosten alleen maar toenemen.”

Moderne en veilige werk- en leefomgeving op de juiste plek

“2,5 jaar geleden is het urgentiebesef gekomen dat het jaarlijks investeren in het onderhoud en storingen van ons vastgoed inderdaad ‘not the way to go’ was. Er moest een andere routing gekozen worden, waarbij we zo efficiënt mogelijk met onze locaties omgaan. Hoe richt je je vastgoed in waarbij de eenheden en de operationele inzetbaarheid centraal staan en je tevens een moderne en veilige werk- en leefomgeving op de juiste plek kunt bieden, met oog voor het privéleven van de medewerkers? Dat is de kern van het CVV programma. Daarnaast hebben we bewuster de verduurzaming van het vastgoed meegenomen in onze plannen waarbij wij zelf ook financieel de trekker zijn. Dat maakt het voor planningsdoeleinden ook gemakkelijk om een en ander in de 15-jarige looptijd van het programma weg te zetten.”

Toetsstenen projecten

De toetsstenen van het programma zijn de vier doelstellingen: verhogen operationele inzetbaarheid van de Krijgsmacht, het willen zijn van een aantrekkelijk werkgever, verduurzaming van vastgoed en het vastgoed financieel op orde brengen. Tevens is van alle projecten, verdeeld over vier werkpakketten, opgeschreven wat daarvan de bedoeling is, ook voor wat betreft de eenheden. “Dat is het startpunt dat we gebruiken om elke beslissing te kunnen onderbouwen en het ankerpunt om de voortgang van de projecten te toetsen.”

“Grote complexe projecten hebben te maken met het vaststellen van ruimtelijke ordening procedures. Daarnaast vergen ze extra personele capaciteit om deze projecten daadwerkelijk van de grond te krijgen. Dat kost tijd en werkt soms frustrerend. Door deze complexe projecten af te kunnen wisselen met projectjes waar we wel snel meters kunnen maken en vlaggetjes kunnen plaatsen, zorgen we ervoor dat de energie en spirit in het programma hoog blijft.”

Op de vraag over hoe de organisatie geïnformeerd gaat worden over het programma, zegt Goedhart het volgende: “Communicatie en engagement is erg belangrijk in de fase waarin het CVV programma nu is aangekomen. Zeker nu we net uit de startblokken zijn, willen we dat kunnen gaan uitventen. Uiteraard informeren we getrapt: eerst onze eigen mensen, dan het parlement en dan de regio.” We gaan nu los!

Intercollegiaal samenwerken aan een betere Krijgsmacht

Dorine Bakker

Dorine Bakker is ruim drie jaar werkzaam bij Defensie. Zij combineert haar medezeggenschapswerk voor DOSCO en de CMC met haar functie als Hoofd van de Sectie Onderwijs en Vorming van de Nederlandse Defensie Academie (NLDA). Daarnaast verzorgt zij als Universitair docent colleges Organisatiekunde & Management bij NLDA. In combinatie met het voorzitterschap van zowel de GMC NLDA als de DMC DOSCO en betrokkenheid bij de CMC een vol palet aan werkzaamheden.

“Ik kom uit een echte onderwijsfamilie en hoewel ik mijzelf na het afronden van mijn vwo-opleiding stellig had voorgenomen om niet voor het onderwijs te kiezen, maar juist voor het bedrijfsleven, heb ik inmiddels een lange carrière achter de rug in en voor het onderwijs. Ach, het bloed kruipt toch waar het niet gaan kan!” Na haar studie Bedrijfskunde aan de Nyenrode Business University werkte Dorine een kleine 10 jaar in de commerciële dienstverlening waarna ze in 2002 de overstap maakte naar de publieke sector, in eerste instantie bij de Hogeschool Utrecht. De 20 jaar daarna lag haar focus vanuit verschillende rollen als docent, (strategisch) adviseur of leidinggevende altijd op de thema’s organisatieontwikkeling, leiderschap en innovatie.

“Kijkend naar mijn carrièrepad is het gezamenlijk betekenisvolle impact maken voor de maatschappij de rode draad. Je maakt de maatschappij immers met elkaar!”

Dorine Bakker

Betekenisvolle impact

“Hoewel veel aspecten binnen de bestuurlijke omgeving van zowel de commerciële- als publieke sector hetzelfde zijn, zie je in het publieke domein dat er een grote invloed is vanuit de politieke context. Dat zorgt voor een extra complexiteit, die mij intrigeert en ertoe leidde dat ik naast mijn werk nog een Master Bestuurskunde heb behaald. Wat mij ook erg aanspreekt in publieke organisaties, is de grote mate van betrokkenheid van medewerkers bij hun job. Het van betekenis willen zijn voor de maatschappij, is in de publieke sector voor velen een grote drijfveer; ook voor mij. Kijkend naar mijn carrièrepad is het gezamenlijk betekenisvolle impact maken voor de maatschappij de rode draad. Je maakt de maatschappij immers met elkaar!”

Dé organisatie bestaat niet

“Zie daar het bruggetje naar medezeggenschap. Want wat voor de maatschappij geldt, geldt ook voor organisaties. Een organisatie bestaat dankzij de mensen, je vormt de organisatie met elkaar. Je kunt aan de zijlijn gaan staan, en met het vingertje wijzen naar de organisatie en wat daar allemaal mis gaat, maar dé organisatie bestaat niet. Het zijn jij en ik die daar invulling aan geven. Daar heb je dus zelf invloed op. Maak daar dan ook gebruik van!”

“Als er één orgaan is waarbij je intercollegiaal en onderdeel-overstijgend kunt werken om onze organisatie te verbeteren, is het wel de medezeggenschap!”

Dorine Bakker

In 4 stappen van werkvloer naar het hoogste niveau

Van alle dossiers die de CMC oppakt is HR-vernieuwing een topic waar Dorine zich graag tegen aan bemoeit. “Het al dan niet slagen van de HR-vernieuwing valt of staat met gedragsverandering. Door de verschillende ‘verkokerde’ bedrijfsonderdelen met eigen hun sub-cultuurtjes wordt de doorvoering van de gewenste verandering een hele kluif. Vanuit de CMC kunnen we hier een waardevolle bijdrage leveren, omdat wij een dergelijk dossier integraal kunnen benaderen. De CMC heeft haar tentakels van laag tot hoog in de organisatie. In 4 stappen kan de medezeggenschap van de werkvloer tot het hoogste bestuurlijke niveau van de organisatie komen. Dat is voor een grote en complexe organisatie als Defensie echt uitzonderlijk. De ambtelijke top kan daar zijn voordeel mee doen, maar de werkvloer ook.”

“Medezeggenschap heeft in mijn optiek onterecht een associatie met een traag, log, tegendenkend apparaat, vervolgt Dorine. “Als wij aan de voorkant betrokken worden, kan de medezeggenschap toegevoegde waarde bieden als sparringpartner en dan kunnen we ook heel snel handelen op het moment dat er een adviesaanvraag komt. Dat betekent niet dat we dan niet meer kritisch kijken, maar wel dat we de achtergrond, context en overwegingen al kennen en dus sneller kunnen adviseren. En juist omdat we in iedere laag vertegenwoordigd zijn kunnen we het personeelsperspectief heel goed inbrengen op al die lagen én de verbinding leggen op CMC-niveau.”

Intercollegiaal en onderdeel overstijgend

“Breed het net kunnen ophalen valt of staat overigens wel met een goed vertegenwoordigde achterban”, aldus Bakker. “Goed toegeruste en enthousiaste medewerkers in de hele medezeggenschapsketen zijn een voorwaarde om op deze manier als CMC te kunnen blijven werken. Doordat je het OR-werk veelal naast je reguliere baan er ‘bij moet doen’ is er niet overal veel animo voor. Jammer, want als er één orgaan is waarbij je intercollegiaal en onderdeel-overstijgend kunt werken om onze organisatie te verbeteren, is het wel de medezeggenschap!”

Belangenbehartiger namens iedere medewerker Burger en Militair

Sinds 2020 vertegenwoordigt Timo Ligthart de Koninklijke Marine binnen de Centrale Medezeggenschapscommissie (CMC). Hij combineert zijn CMC-functie met het lesgeven in onderhoud en reparatie van nautische- en onderwatersystemen aan de Technische school van de Marine. Het OR-werk is niet nieuw voor Timo. In zijn voorafgaande varende carrière bij de Marine was hij ook op andere niveaus betrokken bij medezeggenschap.

In 2002 begon Timo zijn loopbaan bij de Krijgsmacht als matroos bij de Koninklijke Marine. Zijn keuze voor de Marine werd ingegeven door zijn zoektocht naar een afwisselender werkomgeving dan de nieuwbouwprojecten waar hij na het behalen van zijn Loodgietersdiploma terecht kwam. “Na 6 maanden op de bouw, wist ik heel zeker dat ik niet tot aan mijn pensioen als loodgieter wilde werken. Ik werd getipt om eens te gaan praten bij de Marine. Een keus waar ik tot op de dag van vandaag geen spijt van heb.”

“Ik werd getipt om eens te gaan praten bij de Marine. Een keus waar ik tot op de dag van vandaag geen spijt van heb.”

Vanaf het moment dat Timo als matroos startte, is zijn carrièreverloop een aaneenschakeling van (door)groeimogelijkheden gecombineerd met een groot aanpassings- en doorzettingsvermogen. “Tussen 2002 en 2005 voer ik als matroos waarna ik een 2-jarige opleiding tot onderofficier volgde. Door mijn stage bij de onderzeedienst kon ik als Sonar Operator ervaring opdoen in onderwaterdetectiesystemen, waarna ik aansluitend in 2007 aan de slag kon als korporaal monteur onderhoud communicatie-, nautische- & onderwatersystemen bij de varende Marine.”

Timo kreeg in die periode te maken met het Instandhoudingsprogramma van de M-Fregatten en de implementatie van het SAP-bedrijfsvoeringssysteem. “De invoering van beide programma’s brachten zoveel veranderingen met zich mee, dat ik binnen no time gevraagd werd om op het volgende IPM-Fregat als sergeant clusterchef een team te leiden. Zo nam mijn carrière een vlucht en kon ik mijn eerste meervoudig leidinggevende ervaring opdoen.”

Regelgeving afgestemd op de praktijk

Naast het opdoen van managementervaring, maakte Timo in die periode ook kennis met medezeggenschap. Zo heeft hij zich vanuit de DMC (Defensieonderdeel Medezeggenschapscommissie) van de Marine ingezet voor behoud van personeel bij de Nummerus Fixus reorganisatie van CSZK. “Mijn drijfveer toen en nu is het willen streven naar beleid en regelgeving dat goed aansluit bij de dagelijkse praktijk van iedere defensiemedewerker. Topics als veiligheid en welzijn mogen niet zomaar worden weggecijferd in uitvoeringsstukken. Het zijn randvoorwaarden die ervoor zorgen dat hetgeen we als Krijgsmacht moeten leveren, ook op de best mogelijke manier kὺnnen leveren. Veiligheid en welzijn zijn mijns inziens topprioriteit; ik ben blij dat ik hier namens de CMC een kartrekker in kan en mag zijn.”

“Onze taak om namens iedere defensiemedewerker de belangen zo goed mogelijk te behartigen, nemen wij uiterst serieus!”

Belangenbehartiger namens iedere militaire- en burgermedewerker

Komen de veiligheid en het welzijn van de defensiemedewerker niet in het gedrang nu de Krijgsmacht zich zo aan het ontwikkelen is? Immers, hoe groter de organisatie des te lastiger de vragen? Timo: “Nu de organisatie zo aan het groeien is, hoop ik dat beleid, uitvoer en toezicht goed gescheiden blijven. Door de regie bij de bestuurstop te laten en het ‘Wat’ op het hoogste niveau scherp af te kaderen, ontstaat er, naar mijn mening, voor het beantwoorden van de ‘Hoe’ juist meer ruimte voor invulling bij de aansturing. De laagste laag van aansturing voor alle betrokken partijen met de bijbehorende medezeggenschap.”

“Door als CMC onze ogen en oren goed open te blijven houden, kunnen wij escaleren als er toch onuitvoerbaarheid in de lijn dreigt te ontstaan, dat om wat voor reden dan ook niet in de reguliere lijn wordt op opgepakt. Ook waken wij ervoor dat aanwijzingen elkaar tegenspreken of onnodig overlappen met de gevolgen voor de collegae op de werkvloer. Onze taak om namens iedere defensiemedewerker de belangen zo goed mogelijk te behartigen, nemen wij uiterst serieus!”

Ambassadeur van de medezeggenschap: directeur DMO, viceadmiraalvan de Technische Dienst Arie Jan de Waard

Arie Jan de Waard

“Hoe serieuzer je de medezeggenschap neemt om dialoog mee te voeren over uitdagingen die je hebt, hoe beter het gaat met hetgeen wat je binnen de or-ganisatie wilt bereiken.” Dat is de overtuiging van Arie Jan de Waard, die sinds 2015 directeur van Defensie Materiaal Organisatie (DMO) is en viceadmiraal van de Technische Dienst. In dit interview geeft Arie Jan de Waard zijn visie over de medezeggenschap van de toekomst.

Eerste aanraking met medezeggenschap

Arie Jan de Waard is in zijn loopbaan niet zelf lid geweest van de medezeggenschap. Hij vertelt: “De eerste keer dat ik echt inhoudelijk en intensief met de medezeggenschap in aanraking kwam, was in het toenmalige Marinebedrijf (nu Directie Materiële Instandhouding van CZSK). Het Marinebedrijf was destijds een zelfstandige eenheid binnen DMO en een grote club met bijna 2000 mensen. Er was een gemeenschappelijke medezeggenschapscommissie (GMC) en decentrale medezeggenschaps-commissies (MC’s). Destijds zat ik met de GMC, oftewel de samengestelde vertegenwoordiging van het personeel, aan tafel om te praten over de organisatie, aandachtspunten en verbetermogelijkhe-den. Daar is voor mij de kiem gelegd voor mijn relatie als Hoofd Defensie Eenheid (HDE) met mede-zeggenschap.”

DMO en de medezeggenschap

“Als directeur DMO voer ik nu het overleg met de Defensieonderdeel Medezeggenschapscommissie (DMC). De DMC is opgebouwd uit de vertegenwoordiging van decentrale medezeggenschappen van DMO. Mijn intrinsieke overtuiging is: hoe meer je met hen in essentie het gesprek voert over hetgeen wat van belang is, hoe beter je als organisatie presteert. Dat zie ik terug in hoe we het bij DMO doen.”

“DMO heeft een visie en spoorboekje opgesteld, waar DMC intensief bij betrokken is. We hebben mi-nimaal één keer per jaar een visiedag medezeggenschap waar de medezeggenschap haar agenda be-paalt en ik in de middag aanschuif om samen te spreken over waar we staan, hoe we het doen, wat eventueel beter kan en wat de belangrijke onderwerpen voor de komende periode zijn. Deze dag is heel belangrijk voor de samenwerking en de agendabepaling. Door aan de voorkant steeds transpa-rant te zijn richting de medezeggenschap en op de visiedag actuele vraagstukken aan te kaarten, ben je goed met elkaar in gesprek over de dingen die ertoe doen: de vraagstukken in de breedte van de organisatie.”

Gedeelde verantwoordelijkheid

“Een vertegenwoordiging van de DMC sluit standaard aan bij vergaderingen van de DMO-raad. De DMO-raad is het “concernbestuur” van de DMO. Dat betekent dat het DMC maximaal inzicht heeft in de vraagstukken die passeren en uitdagingen die we daar bespreken. Hiermee bepalen we samen over welke uitdaging de DMC nader wil spreken. Immers, in het Besluit Medezeggeschap Defensie staat dat de medezeggenschap zich breed kan uitspreken over de aangelegenheden die de dienst-eenheid aangaan. Het gaat er om dat je slim samen bepaalt hoe die agenda er uit moet zien. Wacht dus niet af tot ik bij wijze van spreken de DMC bel om ergens over te praten, maar bepaal actief en vooraf de agenda. Daar zit wederkerigheid in.”

Soms kan een geschil verhelderend werken

Naar ervaring van Arie Jan de Waard betekent een geschil met de medezeggenschap niet het einde. Natuurlijk probeer je altijd met goed overleg er uit te komen. Maar, als het echt nodig is, dan kan een geschil uiteindelijk ook leiden tot betere samenwerking. Hij vertelt dat hij binnen zijn carrière en in zijn huidige functie als HDE één keer een geschil is aangegaan met de medezeggenschap. Dit ging over de voorgenomen verhuizing van het Haagse deel van DMO naar Utrecht. “Dat was niet makke-lijk maar je moet dat ook weer niet te zwaar opvatten. Dit geschil betrof een al langlopend dossier. De standpunten waren verhard en de persoonlijke verhoudingen stonden hier en daar ook onder druk.

Door een geschil aan te gaan, wordt een externe partij betrokken om een bepalend besluit te nemen hoe verder. “We hebben allemaal ons verhaal kunnen doen. Het besluit werd genomen en dat was vervolgens het vertrekpunt om verder te gaan. Uiteindelijk zijn we er samen uitgekomen en is het Haagse deel van de DMO nu naar volle tevredenheid in Utrecht gehuisvest. Ik pleit er natuurlijk voor dat het aangaan van formele geschillen de beste manier is om er uit te komen. Vooral gaat het om wat je aan de voorkant kunt en moet doen: de medezeggenschap vooraf intensief betrekken bij wat er speelt en zo transparant mogelijk zijn naar de medezeggenschap zijn zodat zij zelf een oordeel kunnen vormen.”

Medezeggenschap 2.0

Op de vraag hoe Arie Jan de Waard de toekomst ziet, geeft hij aan een uitdaging te zien. DMO moet fors groeien om te doen wat er van ons gevraagd wordt. De ambitie is om te groeien van 5.500 naar 7.000 medewerkers. We hebben daarnaast te maken met een deel van medewerkers die aanko-mende jaren met pensioen gaat. Het is jammer dat we afscheid moeten nemen van hun kennis een kunde, maar het geeft ook kansen. Zo krijgen we veel jonge mensen binnen met nieuwe ideeën en kennis. We hebben dan ook een club die “Jong DMO” heet, waarvan een afvaardiging ook bij de DMC vergaderingen zit. Dat leidt ook tot jonge leden die lid zijn geworden van de medezeggenschap en dat is mooi. Of dat toekomstbestendig is? Dat durf ik niet met zekerheid te zeggen. We moeten en zijn ook met elkaar in gesprek hoe we medezeggenschap toekomst kunnen inrichten. Ik merk dat jonge mensen niet altijd de behoefte hebben om in langdurige medezeggenschapsvergaderingen te zitten. Ik zie bij Jong DMO dat zij wel degelijk zeer betrokken zijn en zich ook best druk willen maken over een bepaald onderwerp.

Hoe maak je dan medezeggenschap 2.0? Een idee is dat je het overkoepelende gesprek beperkt tot een kleine club en dat je veel meer thematisch bepaalde onderwerpen voor medezeggenschap uitzet binnen de organisatie. Zo heeft jong DMO al gekeken naar het “onboarding” proces bij DMO en kij-ken ze in dit voorjaar naar de ontwikkeling van leiderschap binnen DMO. De uitkomst van deze on-derzoeken landen ook weer in het overleg met de DMC. Toekomst zou kunnen zijn dat we die twee lijnen nog veel meer verankeren in de werkwijze van medezeggenschap.

Vitale medezeggenschap voor de toekomst

Arie Jan de Waard sluit het interview af met de volgende woorden: “Het belang van medezeggen-schap staat bij mij buiten kijf. De vraag is wel hoe je dit vitaal houdt met oog op de toekomst. Daar moet je ook voor trainen. Dat is tevens een uitdaging voor de CMC: denk goed na hoe je naar de toe-komst wilt doorontwikkelen. Hoe maak je het aantrekkelijk om toch die personeelsvertegenwoordi-ging aan tafel te laten zitten bij de HDE, om samen de koers te bepalen hoe de organisatie verder te helpen? Ook voor mij als HDE is dat altijd iets om over na te denken en in te investeren.”

Richard van Toor, plv afgevaardigde DMO

De CMC wordt versterkt door een nieuw lid vanuit de Defensie Materiaal Organisatie (DMO): Richard van Toor. Als voorzitter van de Defensieonderdeel Medezeggenschapscommissie (DMC) DMO was hij al een bekend gezicht voor de CMC. Met de vele jaren medezeggenschapservaring die hij meebrengt vormt Richard een welkome aanvulling.

Bijna 40 jaar geleden stapte Richard als dienstplichtige militair Defensie binnen. Als centralist bij het Nationaal Commando begeleidde hij tijdens de Eerste Golfoorlog troepen vanuit Nederland naar Irak. Vanuit daar groeide Richard door naar een burgerfunctie bij de Directie Materieel van de Koninklijke Landmacht, later stroomde hij door naar de huidige directie Financiën en Control en maakte daar de start mee van de Defensie Materieel Organisatie (DMO). “Defensie is zodanig in mijn hart geraakt dat ik niet meer ben vertrokken. Dat vindt niet alleen plaats bij militairen, maar ook bij het burgerpersoneel.”

Inzetten voor het personeel

Al bij het Nationaal Commando in Gouda raakte Richard betrokken bij medezeggenschap. Jaren later rolde hij bij DMO weer de medezeggenschap in. Richard weet nog goed waarom hij zich toentertijd voor de medezeggenschap wilde inzetten. “Ik ben een mensenmens en kan slecht tegen onrecht. Bij de medezeggenschap zag ik kans mij voor het personeel in te zetten.” Dat zijn nog steeds redenen voor Richard om zich met medezeggenschap bezig te houden, maar ondertussen haalt hij er veel meer uit. “Medezeggenschap draagt bij aan je ontwikkeling. Je krijgt te maken met onderwerpen waar je niet bekend mee bent en je vervolgens veel over leert. Ook bouw je belangrijke competenties en een goed netwerk op. Die ontwikkeling helpt je ook groeien in je eigen functie.”

Open gesprek voeren is belangrijk

Richard is trots op de stappen die de DMC DMO de afgelopen jaren heeft gemaakt. “Ik vind het belangrijk dat je een open en transparant gesprek met de leiding kan voeren. We hebben als DMC een goede, open relatie met onze hoofd dienst eenheid, de directeur DMO. Dat hebben we door de jaren heen opgebouwd door te investeren in de relaties. Ook zitten we vast aan tafel als toehoorder bij de DMO-raad, de risk- and safetyboard en het kernteam bedrijfsplan. Ik denk dat het belangrijk is om bij alle overleggen aan te sluiten waar je een rol kan spelen, bijvoorbeeld bij de overleggen van de management teams van directies.”

Professionalisering van medezeggenschap

Door de jaren heen heeft Richard de medezeggenschap binnen Defensie zien veranderen. “Medezeggenschap is naar mijn mening nu professioneler dan in het verleden. Dat zie ik terug bij de DMC, maar ook bij de MC’s zie ik verandering optreden. De mastersclasses medezeggenschap dragen bij aan die professionalisering, wat je daar leert maakt dat je zekerder en sterker wordt in het overleg.” Toch merkt Richard dat er nog veel verbeterruimte is. “Er is bijvoorbeeld een platform medezeggenschap, waar te weinig gebruik van wordt gemaakt. Een bureau medezeggenschap op Defensiebreed en Defensieonderdeelsniveau kan bijdragen aan de verdere professionalisering.”

Belangrijke rol van DMC-leden

Richard is niet volledig vrijgesteld voor medezeggenschap. De verdeling tussen zijn reguliere functie en medezeggenschapstaken wisselt. “Thuiswerken zorgt voor een betere balans daarin, met name omdat ik mijn reistijd kwijt ben. Mogelijk krijg ik in de toekomst extra tijd voor medezeggenschap.” Die tijd kan hij goed gebruiken, want net als de andere CMC-leden zit hij trapsgewijs ook in een DMC en MC. “In de MC merk je veel verschil in wat er bekend is en leeft, ten opzichte van wat er op DMC-niveau plaats vindt. Ik deel veel met mijn MC-leden om hen op de hoogte te stellen van wat er speelt. Het is belangrijk dat DMC-leden zich betrokken voelen en hun kennis overbrengen naar de MC’s. Zij hebben daar een belangrijke rol in.”

Bereiken achterban is uitdaging

Een uitdaging voor medezeggenschap blijft het bereiken van de achterban en het zichtbaar maken van medezeggenschap. “Het thuiswerken door corona heeft daar niet bij geholpen. We proberen wel nieuwe initiatieven. Zo hebben we deelgenomen aan HR-tv, een nieuw initiatief binnen DMO. Daar bereikten we 800 kijkers mee. Ook kan de leiding een rol spelen. Zo heeft onze directeur onlangs een nota verstuurd waarin aandacht wordt gevraagd bij de leidinggevenden voor de meerwaarde van medezeggenschap. Medezeggenschap is werk, mensen moeten de ruimte krijgen daarvoor. Dan helpt het als je een directeur hebt die daarachter staat en dat ook communiceert.”


Heb je een vraag aan Richard? Neem contact op via cmc@mindef.nl.

Richard van Toor

Afgevaardigde Landmacht: Ernst van der Hoek

Toen Ernst van der Hoek in 2010 lid werd van een medezeggenschapscommissie (MC) verwachtte hij te mogen meepraten over zaken als de kerstpakketten en de planning van het vakantieverlof. De verscheidenheid aan onderwerpen waarover hij daadwerkelijk mocht meepraten verraste hem positief. “Medezeggenschap maakt dat je sturing kan geven aan belangrijke processen, zoals reorganisaties, bedrijfsveiligheid en de bedrijfsvoering. Hoe beter daarbij de samenwerking is tussen de MC en de commandant, hoe beter het proces verloopt.”

Meepraten op alle niveaus

Ernst is ondertussen 33 jaar werkzaam bij Defensie. Ooit begonnen als groepscommandant doorliep hij vervolgens diverse functies, waaronder die van opleidingsontwikkelaar en trainingsbegeleider. Uiteindelijk belandde hij bij de OTC Manoeuvre. De infanterie is ‘zijn ding’. Tijdens die weg raakte hij opnieuw in aanraking met medezeggenschap. Op dit moment is Ernst voorzitter van de MC OTC Manoeuvre en vicevoorzitter GMC Opleidings- en Trainingscommando (OTCo). Daarnaast neemt hij zitting in het dagelijks bestuur van de defensie-onderdeels MC (DMC) CLAS en is hij afgevaardigde van de CLAS in de centrale medezeggenschapscommissie (CMC).  Ernst praat dus mee op alle niveaus en geeft daarmee veel landmachtcollega’s een stem.

Behoud in plaats van werving

Als voorzitter van de MC herkent Ernst de problemen bij het vinden van voldoende leden voor de commissie. Hij zet daarom vooral in op behoud van de leden, in plaats van werving. Zo organiseert hij een uitgebreide training voor de zittende leden, om hen te motiveren en hopelijk te behouden. “De moeilijkheid is dat we bij Defensie een werkwijze hebben van soms 3 jaar op functie, en dan weer door. Dat heeft ook gevolgen voor de positie in medezeggenschap. Het is soms net een duiventil van komen en gaan. Zelf ben ik ook periodes niet actief lid geweest, waarna ik later weer betrokken raakte bij een MC. Dat zie ik ook bij anderen: dat het niet altijd goed is te combineren met een functie. Daarom ben ik mij ook bewust van het voorrecht dat ik heb met mijn vrijstelling voor medezeggenschap.”

Als fotograaf op de werkvloer

Als adjudant in zijn laatste functie mag Ernst zich voltijd met medezeggenschap bezighouden tot aan zijn FLO. Vanuit het opleidingspotje van Defensie (16 bis) heeft hij diverse cursussen fotografie gevolgd, van basisfotografie tot dronefotografie. Daar waar mogelijk fotografeert hij voor de sectie Communicatie van OTCO. “De secretaris-generaal (SG) vroeg mij tijdens mijn eerste overleg met de CMC hoe ik als vrijgesteld lid voorkom dat ik de binding met de werkvloer verlies. Door te fotograferen voor OTCO bevind ik mij veel op de werkvloer en hoor ik wat daar speelt. Daarnaast houd ik de binding door mijn zitting in de MC van mijn eenheid.”

Middelen faciliteren voor thuiswerken

De veranderingen die COVID-19 teweegbracht binnen Defensie hadden vanzelfsprekend ook invloed op de medezeggenschap. Volgens Ernst zijn daar ook positieve ontwikkelingen uit ontstaan. “Het digitale overleggen maakt het eenvoudiger om elkaar te spreken. We spreken elkaar nu vaker dan voorheen. In de periode dat COVID-19 op het hoogtepunt lag hadden we wekelijks overleg met de commandant Landstrijdkrachten over wat er speelde binnen de Landmacht. Als MC denk je met de commandant mee over de veranderingen vanuit het perspectief van de werkvloer en oefen je vanuit daar je invloed uit. We hebben het samen voor elkaar gekregen om middelen te faciliteren voor het thuiswerken. En meegedacht over hoe les te geven in een situatie waarop de leeromgeving niet was ingespeeld.”

Bureau medezeggenschap

Ernst is pas sinds kort lid van de CMC. Hij is van mening dat de commissie zich profileert als een serieuze gesprekspartner, waar een ander niet zomaar meer omheen kan. “Dat zie ik aan de mensen die worden uitgenodigd om toelichting over een onderwerp te geven, die bereiden zich goed voor. De feedback vanuit de CMC wordt ook serieus genomen. De commissieleden vullen elkaar goed aan en nemen elkaar mee. Ieder vanuit zijn eigen kennis en ervaring. Ik denk dat er nog een kans ligt bij het bureau Medezeggenschap op Defensieniveau. Dat plan wordt nu uitgewerkt vanuit de CMC en een masterclass waar ik aan deelneem. Bij de Landmacht begint dit bureau inmiddels vorm te krijgen, hopelijk kunnen we dit doortrekken op Defensiebreed niveau.”


Heb je een vraag aan Ernst? Neem contact met hem op door te mailen naar cmc@mindef.nl

Ernst van der Hoek, afgevaardigde CLAS

Ambassadeur van de medezeggenschap: Kapitein ter Zee Walter Hansen

Tot voor kort was Kapitein ter Zee Walter Hansen commandant van Zr.Ms. Johan de Witt, nu houdt hij zich als programmamanager bezig met de HR-transitie binnen de Commando Zeestrijdkrachten (CZSK). Ook in een eerdere rol begeleidde hij een groot transitieprogramma binnen de Marine, waar hij toen informeel gesprekspartner was van de Defensieonderdeel Medezeggenschapscommissie (DMC) CZSK. De Centrale Medezeggenschapscommissie vroeg hem wat zijn sleutel tot succes is in een goede samenwerking met medezeggenschap.

Toen Hansen eerste officier werd, oftewel plaatsvervangend directeur van een schip, kwam hij voor het eerst echt in aanraking met medezeggenschap. “Daarvoor wist ik van het bestaan af, maar zei het me niet zoveel. Als eerste officier werd ik verantwoordelijk voor de interne bedrijfsvoering en kwam ik erachter wat de waarde is die medezeggenschap toevoegt. Hoe belangrijk het is om hen aan de voorkant te betrekken. En welke uitdagingen je tegenkomt als hoofd diensteenheid (HDE) in relatie met je medezeggenschap.”

Zoektocht

Het vinden van een juiste samenwerking tussen HDE en medezeggenschapscommissie (MC) beschrijft hij als een zoektocht. “Als je als leidinggevende iets bedenkt op het terrein waar je medezeggenschap ook iets van moet vinden, en je legt dat wat je hebt bedacht pas in de eindfase bij hen neer, dan creëert dat niet de juiste sfeer om gezamenlijk tot het beste product te komen. Vaak kost het proces dan alleen maar meer tijd en is het product van mindere kwaliteit. Daar loop je één of twee keer tegenaan, dan zie je hoe het ook anders kan.” Volgens Hansen is de toegevoegde waarde van medezeggenschap afhankelijk van zowel de HDE als de MC.  “Je werkt als HDE op het moment maar met één MC binnen Defensie, die van je eigen eenheid. Als een MC betrokken en taakvolwassen is, dan draagt dat bij aan een beter gezamenlijk resultaat. Als HDE groei je ook in die samenwerking. Doordat je ziet wat je in potentie gezamenlijk kan leveren, ga je daar meer gebruik van maken.”

Toegevoegde waarde laten zien

In zijn baan als transitiemanager kwam Hansen er met de DMC achter dat er bij diverse eenheden binnen CZSK geen actieve MC is. “Formeel is het de taak van de HDE om te zorgen dat er een medezeggenschap is. Maar je kunt mensen niet dwingen. Men moet bereid zijn er tijd aan te besteden, want het is niet vrijblijvend. Daarbij wordt de maatschappij individualistischer. De georganiseerdheid neemt af en mensen spreken sneller uit wat zij vinden. Ik hoor vaak dat men zich afvraagt of dat moet via een MC, of dat zij ook direct naar hun leidinggevende kunnen. Dat maakt dat je zowel als HDE en als MC de mensen moet laten zien wat de toegevoegde waarde is van medezeggenschap. Reclame maken, laten zien dat ze inspraak hebben en resultaten vieren. Als ik de bemanning toesprak, ook bij het informeel koffiedrinken, benadrukte ik dat ik zaken met de medezeggenschap zou gaan overleggen. Dan weten zij dat ik de MC raadpleeg en die ertoe doet.”

Steeds sneller veranderen

Niet alleen het individualistischer worden van de maatschappij, maar ook andere veranderingen gaan volgens Hansen alleen maar sneller. “Ook Defensie moet daardoor steeds sneller veranderen, wat effect heeft op de bedrijfsvoering. Waar we vroeger dingen deden, omdat we die altijd zo deden, kom je daar nu niet meer mee weg. Als je continu je bedrijfsvoering verandert, dan moet je ook continu je medezeggenschap erbij hebben. Die processen moet je als HDE en MC gezamenlijk oplopen, met respect voor elkaars positie.” Kansen voor de medezeggenschap ziet Hansen in het positioneren aan de voorkant van het proces, als een zelfstandig meedenkend en oplossingsgericht orgaan. “Waarbij ze het organisatiebelang altijd in het achterhoofd hebben. Met als dilemma dat je je vertegenwoordiging en draagvlak onder de bemanning goed geregeld hebt en niet alleen namens jezelf spreekt.”

Kwetsbaarheid tonen

Als programmamanager is Hansen nu geen officiële gesprekspartner van een MC, maar informele gesprekspartner van de DMC. “De formele overleggen zijn met de plaatsvervangend Commandant Zeestrijdkrachten. Als ik de zaken aan de voorkant goed met de DMC heb besproken, dan zouden er geen verrassingen meer mogen zijn in een latere fase. Morgen heb ik een eerste grote sessie met de mensen die betrokken zijn bij de HR-transitie binnen CZSK. Daar zit de DMC direct bij, ik geef hen ook spreektijd.” Hansen is van mening dat je het proces uiteindelijk samen doet. “Ik bedenk ook maar een plan. Daarom doe ik morgen de kick-off, met de hoop dat het plan beter wordt. Het is een vorm van kwetsbaarheid tonen, door als leidinggevende of programmamanager de hulpvraag te stellen en te durven zeggen dat je niet alles weet.” Die kwetsbaarheid ligt volgens Hansen ook bij de MC. “Ook de leden van de medezeggenschap kunnen niet alles weten en niet overal iets van vinden, want daar hebben ze de capaciteit niet voor. Het van beide zijden durven uitspreken van die kwetsbaarheid creëert een sfeer van vertrouwen. En dat maakt uiteindelijk dat de samenwerking en resultaten beter worden.”

Marcel van der Stap, afgevaardigde KMar

Marcel van der Stap is werkzaam bij de Koninklijke Marechaussee (KMar). Toen in 2009 het toenmalige KMOO werd gereorganiseerd was Marcel van mening dat dit beter kon. ‘Als hij het zo goed wist, dan moest hij maar in de medezeggenschap gaan’, werd hem verteld. En zo geschiedde.

De loopbaan van Marcel bij de marechaussee begon in 1998 bij de wachtbrigade Soestdijk, als beveiliger van de Koninklijke familie. Nadien ging hij aan de slag bij de parate marechaussee, 103 Eskadron KMar. In die functie heeft hij bijna 7 jaar ‘rondgezworven’ door Europa, waarbij hij diverse oefeningen draaide en op uitzendingen is geweest. Nadien volgde Marcel de wachtmeestercursus en ging hij aan de slag bij de toenmalige brigade in Venlo, waar hij grens- politiedienst draaide. Om vervolgens de stap te maken naar de motorpool in Den Haag. Daar begeleidde hij vips, ambulances, militaire colonnes en de Koninklijke familie op Prinsjesdag. In die rol kwam hij voor het eerst in aanraking met medezeggenschap. “Mijn motivatie om mij in te zetten voor de medezeggenschap was dat ik het niet eens was met wat er vanuit werkgeverskant werd bedacht. Daar wilde ik over meepraten. Uiteraard dacht ik zelf de betere ideeën te hebben. Naarmate ik langer meeloop heb ik ook de andere kant van de medaille gezien. Nu begrijp ik waarom bepaalde keuzes in zo’n traject worden gemaakt.”

Marcel zijn inzet voor de medezeggenschap startte met 2 dagen per maand werkzaamheden als MC-lid. Een jaar later werd hij secretaris van de MC, weer een jaar later lid en vervolgens secretaris van de Defensieonderdeel Medezeggenschapscommissie (DMC) van de KMar. Op dit moment is hij voorzitter van de MC Landelijk Technisch Commando (LTC). Als voorzitter is hij vrijgesteld van zijn reguliere werkzaamheden. “Vrijstelling” is wel een stap uit de operatie. Maar ik heb altijd gezegd, als het nodig is dan stap ik weer op. Bij grote evenementen rij ik weer mee, zoals Prinsjesdag en de 4-daagse van Nijmegen. Als de nood aan de man is sta ik er weer. Zo konden we het onderling regelen. In goed overleg is alles mogelijk.”

De medezeggenschapsstructuur binnen de marechaussee verschilt enigszins van die van andere Defensieonderdelen. Onder de DMC vallen vier eenheden, waar de LTC er één van is. De LTC is ontstaan na een reorganisatie, waarbij vijf districten samengingen in één groot district, waar circa 5400 man onder vallen. Toen zijn ook vijf medezeggenschapscommissies (MC’s) samengevoegd tot één grote MC. Onder de LTC hangen 30 werkgroepen. “Onderwerpen die een brigade aangaan mogen de werkgroepen samen met een brigadecommandant bespreken. Zodra ze daaruit zijn gekomen dan wordt het een hamerstuk op tafel van de MC. Die verantwoordelijkheid en ruimte krijgen de werkgroep leden, maar daar tegenover staat ook een bepaald kennisniveau en de bereidheid om daar scholingen voor te volgen.”

Als oudgediende leidt Marcel nu de jongeren op. Hij wil graag een groep neerzetten die er staat, ook als hij over enkele jaren met dit werk stopt. “We hebben een nog vrij nieuwe groep. De kennis van het Beleid Medezeggenschap Defensie (BMD), Uitvoering Reorganisaties Defensie (URD) en de Arbowet biedt nog ruimte tot groei. Ik verwacht dat als je aan tafel zit met een hoofd diensteenheid (HDE) je onderbouwd tegenspraak kan bieden. Dat is een leerproces. Zowel de MC- als werkgroep leden nemen we mee in cursussen.” Wel moet het volgen van de scholingen operationeel haalbaar zijn. “In tegenstelling tot andere OPCO’s draaien wij ook binnen Nederland 24/7 door. Daardoor ontstaat spanning tussen werkzaamheden en het volgen van een cursus.”

Maar ook aan de andere kant van de overlegtafel bestaat er ruimte om de kennis over medezeggenschap te verbeteren. “Bij de OPCO commandant is het bekend wat medezeggenschap inhoudt. Maar in de lagen daaronder nog niet altijd. Misschien is dat iets wat bij de Koninklijke Militaire Academie of Koninklijk Instituut voor de Marine beter onderwezen moet worden. Onbekend maakt onbemind, nu heerst nog te vaak het beeld van lastige mensen die wat aan het hobby’s zijn. Dat beeld moet echt weg: medezeggenschap is een deel van het werk. Op initiatief van onze HDE hebben we daarom een online cursus op maat gemaakt voor de marechaussee over wat medezeggenschap inhoudt. Deze cursus wordt aangeboden aan sectiehoofden, P&O en hoofden van diensteenheden. Vanuit de landmacht is ook al interesse getoond voor de cursus, in een aangepaste vorm.”

Eén van de zaken waar Marcel zich hard voor maakt is om de wet en regelgeving beter te laten aansluiten op het werk binnen de Marechaussee. “Alles is met name geschreven op Defensie. Wij zijn onderdeel van Defensie, maar we zijn net ietsjes anders. De hele regelgeving is gericht op een 8 tot 5 bedrijf of uitzending. Een voorbeeld is dat we verplicht zijn om te eten bij Paresto, maar in het weekend is dat dicht. Wij werken echter ook in het weekend. Je bent dan verplicht om uit te wijken en zelf voor eten te zorgen, waarna je vervolgens discussie krijgt over het wel of niet mogen declareren.” Ook in zijn rol binnen de vakbond zet Marcel zich in voor de arbeidsvoorwaarden van zijn collega’s binnen de Marechaussee. “Ik vind dat een rol bij de vakbond en medezeggenschap elkaar versterken. Veel zaken kan je niet los zien van elkaar, die hebben raakvlakken. De kunst is om positief kritisch mee te denken. Uiteindelijk heb je dezelfde achterban en dezelfde doelstellingen. Als het goed gaat met de organisatie, dan gaat het goed met het personeel. En andersom. Ik zie het daarom als een coalitie, we doen het samen.”

Sinds enkele jaren is Marcel afgevaardigde voor de Marechaussee binnen de Centrale Medezeggenschapscommissie (CMC). “We zijn een weg ingeslagen waarbij we meer informele overleggen voeren, dat is denk ik een hele goede weg. Men weet nu wie we zijn en waar we van zijn. We hebben het podium gekregen waar we recht op hebben. We sluiten aan bij belangrijkste overlegtafels, maar we kunnen niet alles bijwonen. Onze verbinding met de secretaris-generaal is belangrijk, aan de andere kant moet die binding ons niet weerhouden om zaken op tafel te leggen. Dan moet je soms even zakelijk worden en durven te zeggen waar het op staat. Hard met elkaar kunnen zijn om tafel, maar daarna weer gezellig koffie met elkaar kunnen drinken. Het is voor de CMC nu tijd om te bewijzen dat we de plek die we krijgen ook verdienen.”

Ben Theunissen, afgevaardigde DMO

Wie zijn toch die leden van de CMC? Ditmaal stellen we voor: Ben Theunissen – militair, IT’er en werkzaam bij JIVC, ‘dé IT leverancier van Defensie’. Ben woont samen met vriendin Petra en hond Bep en is al lange tijd lid van de medezeggenschap. Naast lid van de MC Stafelementen van JIVC, plaatsvervangend voorzitter GMC, lid DMC DMO en lid CMC is hij ook vertegenwoordiger van Defensie in de Groepsondernemingsraad Rijk.

De loopbaan van Ben binnen Defensie startte 43 jaar geleden bij een rayon verbindingscompagnie. “Via de functie teamleider helpdesk ben ik de IT ingerold en daar nooit meer uitgekomen. In 1979 kwam ik bij het onderdeel overlegorgaan (OOO). Daar overlegde je met de compagniecommandant over lopende zaken binnen de eenheid. Dat was toen nog niet zo gestructureerd als medezeggenschap nu is onder het Besluit Medezeggenschap Defensie. Maar sindsdien ben ik, met tussenpozen, bij medezeggenschap betrokken geweest.”

Waarom koos Ben ervoor om zich al die tijd in te zetten binnen de medezeggenschap? “Medezeggenschap is dé manier om invloed uit te oefenen op de bedrijfsvoering binnen je eenheid. Belangen behartigen van personeel staat voor mij hoog in het vaandel. In 2018 had ik Defensie al kunnen verlaten met de oude diensteinde regeling (Oder), maar op dat moment was er sprake van dat heel JIVC geoutsourced zou worden. Er zaten toen ervaren mensen in de medezeggenschap, maar juist rond die tijd werd bekend dat veel van hen weg zouden gaan. Er zou dan een nagenoeg nieuwe medezeggenschap samen met  de werkgever de reorganisaties in goede banen moeten leiden. Dan moet je stevig in je schoenen staan. Ik vond het toen té belangrijk om de lopende zaken binnen de eenheid op een goede wijze achter te laten en heb ervoor gekozen om de organisatie niet te verlaten. Ik doe medezeggenschap dus niet zozeer voor mijzelf, maar vooral voor de belangen van de organisatie en mijn collega’s. En ook nu zijn er nog grote, ingrijpende activiteiten zoals Grit en Foxtrot, waarvan het belangrijk is om mee te kunnen praten over de effecten op de bedrijfsvoering van JIVC en Defensie in het geheel.”

Ben is officieel niet vrijgesteld voor de medezeggenschap, maar krijgt wel de ruimte om dit te bedrijven. “Daar krijg ik alle medewerking in van mijn werkgever. Ik merk wel dat collega’s, ondanks het feit dat zij ook de gelegenheid krijgen, die ruimte vaak niet nemen. Ze zitten in een spagaat tussen de verantwoordelijkheden van hun taken en de verantwoordelijkheden van medezeggenschap. Die tweespalt wordt mede veroorzaakt doordat zij door hun leidinggevende in hun functioneringsgesprek alleen worden beoordeeld op hun taakgebied en niet op hun werk binnen de medezeggenschap. Er mag best aan een voorzitter van een MC worden gevraagd of iemand goed functioneert, zodat dit kan worden meegenomen in iemands beoordeling. Want medezeggenschap is ook werk.”

Zijn werk binnen medezeggenschap heeft Ben veel kennis gebracht, maar ook veel kennissen. “Kennis is macht, kennissen zijn machtiger. Je doet veel ervaring op en krijgt een brede blik op de organisatie. Op MC niveau doe je dat voor je eigen onderdeel, op DMC niveau voor alle onderdelen binnen je defensieonderdeel en op CMC niveau doe je dat voor heel Defensie. Zo krijg je zicht op alle lopende zaken.” Toch is het animo voor medezeggenschap laag binnen JIVC. “De gemiddelde jonge medewerker die nu Defensie binnenkomt denkt: what’s in it for me? Dat is hen vaak niet duidelijk. Daarnaast heeft medezeggenschap nog steeds een imago van vooral oude, grijze mannen.”

Heeft Ben zelf nadelen ondervonden van zijn rol binnen de medezeggenschap? “Tijdens mijn sollicitatiegesprek voor luitenant werd gevraagd naar mijn rol in de medezeggenschap, of ik daarmee door wilde gaan. Daar heb ik volmondig ja op geantwoord. Ik zat toen al ruim 30 jaar bij Defensie, mij maakte je niet snel meer bang. Achteraf heeft dat ook geen belemmering opgeleverd: ik heb de stap gemaakt. Maar dat is wel iets wat iemand anders kan afschrikken. Soms ben je als medezeggenschapper ook wel eens de luis in de pels. Maar soms ben je juist de motor achter zaken.” Dat medezeggenschap ook die motor kan zijn is volgens Ben bij veel leidinggevenden en projectleiders niet voldoende bekend. “De zeggenschap heeft er wel kennis van en ziet de meerwaarde in van medezeggenschap. Maar een direct leidinggevende denkt vaak enkel aan dat zij worden afgerekend op werkzaamheden op taakniveau. Leidinggevenden bieden soms te weinig ruimte aan MC-leden om tijd aan medezeggenschap te besteden. Ook merk ik bij projecten dat er weinig kennis bij projectleiders is over wat medezeggenschap voor hen kan betekenen. Door medezeggenschap tijdig te betrekken en de ruimte te geven kunnen leden helpen om binnen de organisatie jouw punten naar voren te dragen en jouw doelen te behalen.”

Ben is nu ruim acht jaar lid van de CMC, daarmee is hij het langst zittende lid. “De professionaliteit van de CMC is door de jaren heen flink gegroeid. We zitten nu overal aan tafel,  praten op alle beleidsterreinen mee en oefenen onze invloed uit. Het topmanagement weet dat we er zijn en meepraten, daarin zijn we al een heel eind gekomen. Maar toch zien we nog te vaak dingen gebeuren die langs ons heen gaan. Daar valt nog winst te behalen.” Ben zijn dossier is alles wat met IT te maken heeft. Daarnaast is hij afgevaardigde in de GOR Rijk. “Er wordt bij Defensie vaak gekeken wat er gebeurd binnen de Rijksoverheid en dan daarop aangesloten. Binnen het rijk waren facilitaire zaken rondom thuiswerken in coronatijd bijvoorbeeld al snel geregeld, toen moest het bij Defensie nog van start gaan.” Maar er zijn ook resultaten behaald waar Ben trots op is. “Een mooi voorbeeld van wat je kunt bereiken met medezeggenschap is veteranendag. Binnen de Rijksoverheid werken op diverse plekken mensen die vanuit Defensie komen, bijvoorbeeld bij het gevangeniswezen of de politie. Een deel daarvan heeft bij Defensie uitzendingen meegemaakt en is dus veteraan. Binnen de Rijksoverheid was nog niets geregeld rondom veteranendag. Er kwamen steeds meer meldingen van mensen die daar graag naartoe wilden gaan, om daar ex-collega’s te ontmoeten en bijvoorbeeld het defilé mee te lopen. De Rijksoverheid wilde daar in eerste instantie niet aan beginnen. Tijdens een overlegvergadering heb ik bijgedragen aan het overtuigen van de secretaris-generaal van binnenlandse zaken dat daarmee een signaal wordt afgegeven, ook buiten de Rijksoverheid. Commerciële bedrijven hebben ook veteranen in dienst, bijvoorbeeld piloten die werken bij KLM. Er is toen niet besloten dat veteranen een vrije dag krijgen, maar wel dat zij niet ingeroosterd worden op Veteranendag, waardoor zij in ieder geval de mogelijkheid krijgen om erbij te zijn.”

Ben stopt volgend jaar met werken bij Defensie en daarmee eindigt ook zijn rol binnen de medezeggenschap. Hij hoopt dat er voldoende mensen zijn om zijn stokje over te nemen. Nieuwe leden vanuit JIVC zijn in ieder geval van harte welkom! Heb jij interesse om lid te worden van een MC en hoor je graag meer over Ben zijn ervaringen? Of heb je een andere vraag over medezeggenschap? Neem dan contact op met de CMC via cmc@mindef.nl.